Blog Regina Vermeulen | Het konijnendilemma

316 Views

De stilte in de uiterwaarden is opvallend. Zelfs om iets voor 9:00 uur, blaft er normaal gesproken wel ergens een hond of keuvelen er wandelaars voorbij. Alsof de natuur toch een poging doet om het geluid van een pak kerstsneeuw te simuleren. De wolken doen ook al denken aan opgewaaide sneeuwheuvels. Door de verlegen opkomende zon vanonder roze uitgelicht. Hier en daar stelt een vogel een praktische vraag die vanuit een andere boom kort en bondig beantwoord wordt.

Dan ziet mijn herdershond het eerste konijn van de dag. Nu is het niet de haas die de honden voortstuwt maar de hond die de konijnen laat rennen. Hard!
Van nature streef ik naar harmonie. Op de tuinderij waar ik opgroeide was het doorgaans ook vrij harmonieus. Meedeinend in het ritme van de natuur en de seizoenen. Maar wanneer ik als kind mijn hond konijnen zag jagen of -erger nog- een nest jonkies uitgroef en doodschudde, zag ik hoe slecht de wereld was. Diepbedroefd door het onrecht dat zich voor mijn ogen voltrok, was ik makkelijk een dag van streek. Geen erger drama dan de Waterschapsheuvel. Naja, misschien het drama dat ik als 9-jarige in alle welwillendheid zelf voltrok.

‘Die leven toch niet lang meer’ zei mijn vader, maar hij zwichtte toch voor mijn gesmeek om de twee babykonijntjes te mogen redden. Ze kwamen uit het nest dat het moederkonijn niet meer haalde, omdat de hond haar net voor de ingang te grazen nam. Ontheemd woonden de verweesde kleintjes in het konijnenhok. Dat groene gevaarte stond al ruim een jaar leeg nadat ik had moeten kiezen tussen mijn twee tamme konijnen of een nieuwe hond. Timmerman-oom Henk had het hok ooit gemaakt onder het motto groot, stevig en voor de eeuwigheid. De minikonijntjes zochten hun beschutting in de linker van de twee ruiven. Zo’n ruif was ongetwijfeld nog steeds vijf keer zo groot dan hun huiselijke hol. In een wanhopige poging te ontsnappen, stormden ze soms omhoog tegen de schuine wand. Dat ze wel echt wilder waren dan mijn tamme konijnen, was me duidelijk. Voor hun eigen bescherming had ik in de klep van elke ruif een spijker geslagen, zodat ze niet van een meter hoogte te pletter zouden storten zo gauw ze sterk genoeg waren om de klep zelf te openen. Nadat ik de konijntjes eten had gegeven gooide ik de klep telkens met een stevige klap dicht, zodat de uitstekende punt van de spijker de twee delen van de ruif vergrendelde.

Buurtkinderen kwamen het wonder aanschouwen en ik was trots op de redding. Eten deden ze nog niet, maar ze moesten eerst nog even wennen, dacht ik. Na een paar dagen trof ik tussen het stro en de slablaadjes een vermagerd konijntje dood aan. De andere bibberend er tegenaan. Aaien ter geruststelling werkte averechts. Met een laatste krachtsinspanning stormde de kleine de ruif omhoog. Snel gooide ik de klep dicht. KLATS! Gevolgd door een langgerekte ijselijke IEIEIEIEIEIEIE uit het kleine beestje. Het moment van kleplanding en konijnenvrijheid was pijnlijk samengevallen; klein konijnenkopje tussen de bespijkerde ruifklep… Stuiptrekkend zakte het konijntje terug de ruif in. Oogjes twee keer zo groot. Na de laatste stuipen leefde het konijntje nog steeds. Korte ademstootjes in het gebroken dier. Door mijn schuld! Zo ellendig had ik me in al mijn negen jaar nog niet gevoeld.

Op mijn verzoek heeft mijn vader het konijntje uit zijn lijden verlost. Hoe heb ik nooit willen weten. Wel vermoed ik dat mijn suggestie van ‘in een zak met landbouwgif’ waarschijnlijk niet de methode is geweest.

Inmiddels heeft het leven me wat afgehard, maar ik ben behoorlijk in harmonie met mijn hond. Het plezier en toewijding straalt er vanaf wanneer zij konijnen jaagt. Dat is inspirerend om te zien. En ze kan het, want van tijd tot tijd overleeft een uiterwaardenkonijn zijn survivaltraining niet. Echt leuk vind ik dat nog steeds niet, maar bespeur wel een vreemd soort adrenaline die iets van trots triggert. Een beetje jammer dat voor de hond de lol er af is als het konijn niet meer rent of krijst. Uithijgend bij het warme konijnen lijk speurt ze de omgeving al weer af voor de volgende uitdaging. Mijn aanspringen tot ‘eet maar’ ten spijt.

Eenmaal dood, zie ik in het konijn ook wel een potentieel lekker maal. Aan de smaak van mijn moeders gebraden konijn heb ik -gek genoeg- goede herinneringen. Hier ligt dat in potentie klaar; vers, gevoed met een gevarieerd dieet, met een goed leven achter zich, op die laatste paar minuten na. Helaas ben ik ook te schijterig om het mee te nemen en te villen. De blikken van de buurtkinderen… En hoe zat het ook al weer met de smaak van vlees en stressvol sterven? ‘Teruggeven aan de natuur’ is tot dusver telkens het troostende argument waarmee ik het konijn achterlaat. Dan beginnen de kauwtjes met een oog, een rat met een dij en op een onbewaakt moment is het hele konijn verdwenen in een vossenhol.

Inmiddels heb ik op Youtube wat instructiefilmpjes bekeken over het villen van een konijn. Mijn 9-jarige ik protesteert nog steeds. Volgend jaar zitten er veertig jaar tussen. Zou dat genoeg zijn om het eens te proberen?

 

Regina Vermeulen is opgegroeid in Groessen. Werkt als front office coördinator bij Cultuurspinnerij De Vasim. Ze schrijft meer dan ze tijd heeft. En wordt blij van alles wat leeft.

Share on LinkedInEmail this to someoneShare on Google+Pin on PinterestShare on FacebookTweet about this on Twitter

Reageer op dit artikel

Uw e-mail adres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met (verplicht).